Op 16 februari 1984 werd Franciscus Henricus Feytens (met als roepnaam Frans) geboren in Merchtem. Toen hij een jongeman van 19 jaar was trad hij op 3 mei 1903  in dienst van het leger als beroepsvrijwilliger bij de 13de linie van de regimentsschool in Dinant. Hij kreeg snel bevordering want op 4 mei 1904 werd hij korporaal 1ste compagnie 1stebataljon. In april 1905 ging hij naar de Pupillenschool in Aalst en een goed jaar later, op 28 juni 1907 volgde zijn onbepaald verlof. Dan kwam de liefde zijn pad kruisen want  op 14 oktober 1909 huwde hij in Sint-Gillis-Dendermonde met Rachel Bauwens. 

Wie het oorlogspalmares van Frans bestudeert, maakt de bedenking dat hij veelvuldig ingezet werd bij verschillende legereenheden. De oorlog startte voor hem op 1 augustus 1914 bij de 13de vestinglinie in Namen. Op 28 oktober  1914 volgde sloot hij aan bij 13delinie veldleger, compagnie Luitenant Brabant. Twee maanden later op 26 december 1914 ging het voor hem naar de compagnie kapitein Hontoy. Op 4 april 1915 vervoegde hij de 4degenie 2de compagnie commandant Habran. Hij werd sergeant op 28 mei 1915. In september 1915 werd hij gekwetst in Ramskapelle. In augustus 1916 kreeg hij een nieuwe rang namelijk die van sergeant-foerier. Op 26 december 1917 volgde zijn overplaatsing naar de 9de compagnie A.G. (hulptroepen) 2de compagnie en op 1 maart 1917 vervoegde hij de 1stecompagnie AG in Veurne. 9 dagen sloot hij aan bij het 13de A.G. in Leisele. Op 4de december 1917 volgde een nieuwe overplaatsing; ditmaal naar de 24ste compagnie A.G. in Vinkem. Ten slotte op 14 februari 1918 volgde vervoegde hij nog de compagnie S.F.O. Luitenant Jongen - Commandant Wilkin.

Dat die verplaatsingen en overplaatsingen ingrijpend waren, blijkt uit het dagboek dat Frans bijhield over zijn oorlogstijd. Hij beschrijft bijvoorbeeld heel gedetailleerd hoe hij vanuit het fort Saint-Héribert bij Namen (waar hij gemobiliseerd was) op weg was tot in Liart in Frankrijk. 

In Rocroi was het reeds volle aftocht en, op een 1000tal meters buiten de stad, bleven we, tegenaan een brandende steenoven, oververmoeid en uitgeput, vernachten. We kochten er wat brood en kaas, het huisje tegenaan was bewoond door Westvlamingen. Moeder schonk koffie des morgens en om 7 uur stapten we terug op naar Eteignières, Auvillers, Champlin, Rumigny en Liart, waar we aankwamen rond 18 uur.

Rond 19 uur werden we in beestenwagens geladen, opeengepakt als haringen en na een rit van 39 uur, langs Reims en Parijs, te Rouen afgezet. Er vier dagen gelegen bij burgers. Te Le Havre ingescheept op “La Champagne” met 6.000 man en des anderendaags rond 10 uur ontscheept te Oostende. Per trein van Oostende naar Sint-Niklaas (3 september) en te voet naar Antwerpen.” 

(N.v.d.r. volgens zijn dagboek met omzwervingen langs Sint-Gillis-Waas, Kieldrecht, Vrasene, Beveren-Waas, Meerdonk, Burcht om over Hoboken en Kontich in Edegem terecht te komen.)

Dit fragment beschrijft vooral de eindeloze afstanden te voet en per trein en de daarmee gepaard gaande moeilijkheden maar ook in de frontzone was het een zaak van leven of dood. Een tweede deel uit het oorlogsdagboek van Frans maakt de ernst van de frontlinie duidelijk.

“Het 1ste Bataljon van het 13de Linie, onder bevel van majoor Treutels, bezette de ruimte tussen het fort van Saint-Héribert en de Maas, dus de heuvelen rechts van de grote baan van Wépion naar Saint-Gérard tot Gros Buisson. 

 

Op 23 oogst om 18,30 u. kregen we bevel onze stellingen te verlaten en de aftocht van de laatste troepen uit Namen, langs de kant van het "Bois de Marlagne" te dekken. Ik kreeg bevel van majoor Treutels, samen met korporaal Melen, de drie door ons uitgezette wachtposten op de hoogten van Gros Buisson en Wépion op te halen. De wachtposten waren reeds door de manschappen verlaten en, toen we terugkeerden, was ook het bataljon verdwenen. Dan maar onze zak opgenomen en de lange sliert van soldaten en wagens gevolgd, die langs Bois-de-Villers en Lesve zuidwaarts trok. 

 

Heel de nacht  gegaan en bij het krieken van de dag landden we bij Bioul aan. Hier kregen we het aan de stok met Duitse troepen, die van Saint-Gérard waren afgezakt, de grote baan naar Denée versperden en naar Maredsous oprukten. Een bataljon jagers, waaronder Jef Paternoster, ving de strijd aan. 

 

Op zeker ogenblik bemerkte ik dat een officier te paard, een witte vlag ontrolde en, gevolgd door een 300tal soldaten, zich overgaf. Ik en Delrez maakten rechtsomkeer, liepen op een draf langs een inzinking van het terrein en kwamen bezijden Warnant in de vallei van de Molignée terecht. Een beetje uitgeblazen, hier vervoegde ons Jef Gillis (Jef van Witter) en verder de vallei gevolgd. In de nabijheid van Marteau vervoegden we een kolon van minstens 2.000 man die, opgehouden door een gevecht tussen Fransen en Duitsers op de hoogten van Sommière, uitrustte. Het gedwongen oponthoud duurde een paar uren. Rond 18,30  u. werden we plotseling begroet door een hevig geweervuur, dat een 10tal minuten duurde en ophield toen "staakt het vuren" geblazen werd. Het waren Franse troepen die ons, bij vergissing, voor Duitsers hielden. Een vielen een aantal doden en gekwetsten.

 

Van hieruit ging het in vlug tempo door de velden naar Anthée toe, af en toe beschoten door Duitse artillerie van uit Weillen en, langs de vallei van de Hermeton, naar Surice, verder door naar Franchimont waar op een tweesprong der wegen, de hoofdgroep verdween.”

 

Na de oorlog meer bepaald op 1 april 1919 werd hij in onbepaald verlof gezet. Zijn oorlogsplaatje met stamnummer 20505 werd een aandenken van moeilijke en intense oorlogsjaren. 

 

 

 

 

 

 

 

Voor zijn deelname aan de ‘Groote Oorlog’ kreeg Frans als eretekens: het Oorlogskruis met palmen bij legerdagorder van 24 december 191., de Militaire decoratie 2de klas en acht frontstrepen. 

Na de oorlog was Frans beroepshalve hoofdtreinwachter. Hij huwde een tweede maal met Johanna Van Loo. Op 19 november overleed hij in Asse. Op zijn bidprentje staan een aantal persoonskenmerken van Frans vermeld: “hij was geregeld en stipt in zijn werk, kordaat en beslist in zijn optreden, duldde geen onrecht en was gedienstig en behulpzaam voor iedereen”. Dat alles siert een mens, maar wat nog meer opvalt op het offerandeprentje is de vermelding dat hij oud-strijder 19814-1918 was. 

(Met dank aan erevoorzitter van Heemkring Soetendaelle, Pol Feytens, voor de redactionele ondersteuning bij dit verhaal en voor de dagboekfragmenten.)