CORNELIS Petrus Joannes      

In Peizegem op de Dries geboren op 6 april 1887 als zoon van Laurent Cornelis en van  Rosalie Verhasselt. Zijn indiensttreding als premievrijwilliger dateert van 1907. Hij was werkzaam als landbouwer en huwde in Merchtem op 15 februari 1911 met Maria Theresia (op het offerandeprentje en het gemeenteattest vinden we echter Leontina) Heyvaert, afkomstig uit Opwijk. Pittig details: de maatschappij ‘De Herleving’ kwam langs om hen een serenade te geven.

Hij kreeg bericht dat vanaf 16 december 1913 hij deel zou uitmaken van de 12de brigade artillerie te Luik. Hij begon zijn actieve dienst als soldaat 2de klas, ging over naar de eenheid der 3de veldartillerie, 1e brigade, 41ste batterij. Ondanks een zware verkoudheid opgelopen op 5 augustus 1914 bleef hij strijden te Haalen en Haacht. Bij de terugtocht uit Antwerpen redde hij 2 veldstukken uit de handen van de vijand. Hij werd gekwetst en tijdelijk ongeschikt verklaard op 29 april 1915. Hij leed aan tering en werd in november van de IJzer overgebracht naar een hospitaal in Sheffield. (Engeland). Uit een brief van onderpastoor A. De Boeck uit de parochie St.-Catharina Brussel, die in die tijd werkzaam was in Sheffield blijkt dat “Petrus werd berecht en een teringlijder was, die langzaam verslechterde en rustig is gestorven. Hij hoopte nog naar België en naar U terug te keren, maar helaas. Overleden aan zijn wonden en longtuberculose op 31 augustus 1915 in het St.-Maria- Hospitaal te Sheffield, Crinicar Lane. Hij werd begraven op 3 september met een Belgische vlag op de kist. Hij werd omringd door Engelsen en Belgen. De toenmalige burgemeester van Boom, de heer Van Reeth heeft er een rede uitgesproken. Talrijke bloemen werden neergelegd op het graf. God zegene U en uw kind.” Plaats van de begrafenis was South Yorkshire Intake City Road Cemetery perk H.H. rij RC graf nr. 4825”.

Uittreksel rouwprentje:

“In ’t aaklig uur van ’s lands gevaar, de jonge man ten strijde toog.

Zijn lieve vrouw, zijn duurbaar kind verlaten, zwaar op ’t hart hem woog.

Hij streed te Haelen, koen te Haecht, als dappre telg van ’t vrije diet;

En redde twee stuks veldgeschut als ’t Leger de oude Vesting liet…

Zijn stamnummer is 153/1013 en dossiernummers 6205985 en 6179116.

Hoe het verder verliep voor de weduwe? We vonden volgende gegevens terug. De pastoor ging in mei 1919 enkele portretjes en brieven en horloge afgeven aan de weduwe-soldatenvrouw. Ze kreeg in augustus een brief uit Sheffield  met een foto en verslag van de ceremonie van 21 juli ??? in Engeland. Postuum verkreeg hij de eretekens IJzerkruis en Zege en Herinneringsmedaille. De weduwe schreef naar het Strijdersfonds in 1922 voor een uitkering. Ze was lid van de Nationale Oud-Strijdersbond.

BROSENS Alfons Emmanuel

Geboren in Londerzeel op 4 juni 1893.  Gehuwd op 14 november 1927 met Heyvaert Clementia Maria. Het gezin woonde tot 1969 in Etterbeek en is dan verhuisd naar Merchtem,  naar de Koning Albertstraat.

Hij begon als grenadier, gekend van de hoge berenmuts en diende als voetvolk onder bevel van de adel. In 1914 kreeg hij in Ramskapelle een schotwonde in de voet. De volgende dagen overkwam hem het volgende: “Per trein werd ik overgebracht naar Veurne waar ze klaarstonden om de voet af te zetten Uiteindelijk gebeurde die ingreep niet want van Veurne ging het naar Calais voor een verblijf van slechts één nacht. Iedere patiënt stond er in voor de eigen verzorging. Medicijnen waren er wel, maar bedden niet want het slapen gebeurde op stro. De volgende ochtend werden we per boot verscheept naar Glasgow. Van daaruit ging het naar Ayr in Schotland waar we terechtkwamen in een hersteloord.  Ze hebben nog 8 dagen gewacht vooraleer ze zouden overgaan tot amputatie maar gelukkig kon ik mijn voet houden, mits een lichte handicap. Ik keerde terug naar het front in 1915  en ben er gebleven tot het einde van de oorlog. Daar werden er in de winter van 1916-1917 ‘vaderlanderkes’ gelegd rond de benen opdat ze niet zouden bevriezen”. Vaderlanderkes waren zandzakjes gebruikt voor militaire versterkingen. (Vlaamse Woordenboek) Die moesten voorkomen dat de onderste ledematen zouden bevriezen. “Het was de soldaten immers verboden om met de voeten te stampen om zich op die manier op te warmen want dat zou als resultaat hebben dat de Duitsers op hen zouden vuren.” Alfons zwaaide af op 30 september 1919 en is zodoende 6 jaar soldaat geweest.

Hij werd oorlogsinvalide.  Op zijn palmares vinden we dat hij houder was van het Vuurkruis, 8 Frontstrepen had, het Kruis van officier in de Leopoldsorde met gulden zwaarden, de Overwinnings- Herinneringsmedaille, Orde van Leopold II met zwaarden, het Oorlogskruis met palm; alsook meerdere militaire en burgerlijke eretekens bezat. – Een uittreksel van zijn rouwprentje getuigt van de harde oorlogsjaren: “We zien hem opgroeien, rijzig mooi, klaar voor het leven. Dan komt de oorlog. We zien hem naast zijn kameraden aan het front; die harde jaren toen de wereld in brand stond. Hoe hij van hen is blijven houden, van hen die begraven liggen in de Westhoek “

Na de oorlog werkte hij bij het Ministerie van Wederopbouw. Nadien was hij een tijd werkzaam bij de belastingen, om zijn loopbaan te eindigen bij het Ministerie van Arbeid en Sociale Voorzorg. Met zijn gezin woonde hij tot in 1969 in Etterbeek, waarna hij naar Merchtem verhuisde namelijk in de Koning Albertstraat. In 1987 vierde hij er zijn diamanten bruiloft. Als gepensioneerd staatsbeambte overleed hij op 1 juli 1990 in de H.-Hartkliniek te Asse. Alfons ligt, samen met zijn vrouw begraven op het kerkhof in Merchtem. (Bron: met dank aan  Klakson nr. 75, editie Merchtem).

ANDRIESSENS Jozef Egidius

Jozef is geboren in Peizegem op 28 mei 1881 als zoon van Rochus Bartholomeus en Maria Catharina Verpeet. Hij huwde  Maria Mathilda Seghers,  die van beroep herbergierster was. Als milicien trad hij in dienst in 1901.

Opgeroepen als soldaat 2de klasse bij het 1ste linieregiment 2decompagnie op 1 augustus 1914  en gestationeerd bij de 1ste vestigingsregiment. Op 14 oktober 1914 is hij naar Calais overgebracht op bevel van hogerhand. Als soldaat was hij daar ingedeeld bij de hulptroepen van de genie. Op 20 december 1914 was hij aan de slag bij de 1ste compagnie onderhoudswerkers van de genie voor wegen en bruggen te Steenkerke en op 24 december 1914 bij de Genie, 1 Groep 59de compagnie gelegen te Poperinge.

Op 24 mei 1916 is hij in Calais gehospitaliseerd in, Middleton, rue du Temple 53, wegens ziekte opgelopen in dienst bij een eenheid die aanspraak maakte op frontstrepen. Gekwetst op 7 juni 1916 in Calais en er naar het Belgisch militair hospitaal Porte de Gravelines gebracht. Overleden op 8 juni 1916  in het krijgsgasthuis van Calais door ontsteking  van de luchtwegen. Hij werd opgebaard in het "dépôt mortuaire", rue Edgard Quinet te Calais. Daar is hij ook begraven op de Belgische militaire begraafplaats sectie 1 rij 14 graf nr. 6. Nadien volgde een nieuwe begraving in Calais op de gemeentelijke begraafplaats Nord Boulevard du 8 Mai van het Belgisch militair ereperk graf nr. 498. Hij kreeg postuum 2 frontstrepen. Op zijn rouwprentje lezen we: “Hij behoort tot het getal dier helden die hun bloed en hun leven offerden voor de Verlossing, de Vrijheid en de Eer van ons duurbaar België. Zijn naam wordt door het volk gezegend; zijne gedachtenis zal voortleven bij het dankbaar nageslacht”.  Zijn stamnummer is 101/52295 / (11152) en dossiernummer 6179116 in de KLM.

Na zijn overlijden liet hij  een weduwe en vier kinderen na. Zijn weduwe was lid van de Vlaamse Oud-Strijders Merchtem.